400.000 vacatures tegenover 1,5 miljoen mensen aan de kant
|

400.000 vacatures en 1,5 miljoen mensen aan de kant? De cijfers vertellen een ander verhaal

Ruben Brekelmans van de VVD stelde onlangs dat Nederland overal mensen tekortkomt. Tegelijkertijd staan volgens hem 1,5 miljoen mensen aan de kant, terwijl er ongeveer 400.000 vacatures zijn.

Wie de cijfers echter nader bekijkt, ziet om te beginnen dat er helemaal geen 1,5 miljoen mensen beschikbaar zijn om aan de slag te gaan.

Waar komt die 1,5 miljoen vandaan?

De 1,5 miljoen waar Brekelmans naar verwijst, betreft mensen met verschillende soorten uitkeringen: WW, bijstand en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Dat is iets anders dan het aantal unieke mensen met een uitkering.

CBS telde eind 2024 ongeveer 1,397 miljoen unieke personen jonger dan de AOW-leeftijd met een sociale zekerheidsuitkering. Mensen die meerdere uitkeringen ontvangen, worden in de afzonderlijke categorieën meerdere keren meegeteld, maar in het totaal slechts één keer. Brekelmans lijkt niet het totaalcijfer in zijn verhaal te hebben meegenomen, maar een optelling van de verschillende uitkeringscategorieën.

Daarmee is 1,5 miljoen dus geen telling van 1,5 miljoen unieke mensen, maar een optelling van aantallen uit verschillende uitkeringscategorieën. Dat maakt de vergelijking met 400.000 vacatures nog problematischer. Een aantal mensen kan in meerdere categorieën voorkomen, terwijl bovendien niet iedereen met een uitkering beschikbaar is voor werk.

400.000 vacatures zijn er wel degelijk

Het betekent niet dat het probleem van de krappe arbeidsmarkt overdreven is. Integendeel. In het eerste halfjaar van 2025 waren er gemiddeld ongeveer 400.000 openstaande vacatures. Aan het einde van 2025 waren dat er 380.000. Tegenover die vacatures stonden ongeveer 410.000 werkloze mensen. Hieruit kun je al opmaken dat niet alle mensen met een uitkering worden gezien als werklozen. Behalve door Brekelmans dan.

Het UWV gebruikt mensen die korter dan zes maanden een WW-uitkering ontvangen als een betere benadering van de groep die relatief snel aan het werk zou kunnen. In de eerste helft van 2025 waren er ongeveer 3,5 keer zoveel vacatures als mensen in die kortdurende WW.

Niet iedere vacature past bij iedere werkzoekende

Een tweede probleem is het soort werk dat beschikbaar is. Volgens het UWV was in 2025 ongeveer de helft van de vacatures voor functies op beroepsniveau 3 of 4. Dat betekent dat grofweg 200.000 van de 400.000 vacatures betrekking hadden op werk met een hogere mate van complexiteit. De andere ongeveer 200.000 vacatures zaten op beroepsniveau 1 of 2.

Ook voor deze beroepsniveaus is echter vaak een aansluitende opleiding nodig. Tot beroepsniveau 2 behoren bijvoorbeeld bepaalde technische functies, chauffeurs, procesoperators en verzorgenden. Functies waarvoor specifieke vakkennis, een beroepsopleiding, certificaten of ervaring nodig zijn. Bovendien zijn sommige banen lichamelijk zwaar of worden ze aangeboden op locaties waar de potentiële werknemer niet woont. De arbeidsmarkt kent daarmee niet alleen een tekort aan mensen, maar ook een tekort aan de juiste combinatie van vaardigheden, opleiding, ervaring, sector en locatie.

En hoe zit het dan met de bijstand?

Eind 2025 ontvingen ongeveer 410.000 mensen onder de AOW-leeftijd een algemene bijstandsuitkering. Een deel van hen heeft al inkomsten uit werk naast de uitkering. In 2025 ging het om ongeveer 7,4 procent. Er zijn ook mensen die tijdelijk of structureel zijn vrijgesteld van de arbeidsplicht. Eind 2025 had ongeveer 8,9 procent zo’n formele vrijstelling. In ruim vier vijfde van die gevallen ging het om een dringende reden, bijvoorbeeld ziekte of mantelzorg.

Dat betekent niet dat iedereen met een vrijstelling helemaal niet zou kunnen werken. Het betekent wel dat de groep niet zonder meer als beschikbare arbeidsreserve kan worden beschouwd.

Houdt onafhankelijke journalistiek in stand met een donatie

Arbeidsongeschikt betekent niet automatisch niet werken

Een groot deel van de 1,5 miljoen waar Brekelmans naar verwijst, bestaat uit mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Eind 2025 waren er bijna 900.000 lopende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de WIA, Wajong, WAO of WAZ.

Ook deze groep kun je niet simpelweg als mensen ‘aan de kant’ beschouwen. Een arbeidsongeschiktheidsuitkering betekent namelijk niet automatisch dat iemand helemaal niet kan werken.

Binnen de WGA werkte in 2025 51,6 procent van de mensen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. Zij hebben dus ondanks hun arbeidsongeschiktheid nog mogelijkheden om te werken.

Dat betekent niet dat ruim de helft van alle mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering werkt. Als je kijkt naar alle WGA-uitkeringen samen, werkte in 2025 19,1 procent. Bij de IVA, voor mensen die volledig én duurzaam arbeidsongeschikt zijn, was dat 3,1 procent. Van de mensen met een WAO-uitkering werkte 14,2 procent.

De percentages verschillen dus sterk per groep. Juist daarom kun je de bijna 900.000 mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet zonder meer als mensen ‘aan de kant’ beschouwen. Een deel werkt al, een deel heeft nog mogelijkheden om te werken en een deel is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.

Een deel kan wel werken, maar niet meteen

Een belangrijk probleem bij de discussie is dat er geen actueel, exact landelijk cijfer bestaat voor het aantal bijstandsgerechtigden dat vandaag zonder verdere ondersteuning direct inzetbaar is. Er zijn wel oudere schattingen die een indruk geven van de omvang van de groep.

Een eerder onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie en het SCP schatte dat van de ongeveer 400.000 bijstandsgerechtigden destijds ruim een derde op termijn betaald werk zou kunnen verrichten, terwijl ongeveer een derde ook in de toekomst geen betaald werk zou kunnen verrichten, vaak vanwege gezondheidsproblemen.

Als je die oude verhouding heel voorzichtig op de huidige groep van ongeveer 410.000 zou toepassen, kom je uit op grofweg 137.000 mensen die mogelijk op termijn aan het werk zouden kunnen. Maar dit is nadrukkelijk geen actuele meting. De samenstelling van de bijstand is veranderd en de schatting zegt niets over de vraag of deze mensen aansluiten op de vacatures van vandaag.

De mismatch is meetbaar, maar niet met één getal

Het UWV meet verschillende kanten van die mismatch. Bij werkgevers met moeilijk vervulbare vacatures zegt 87 procent dat er simpelweg te weinig kandidaten zijn. Maar 64 procent noemt ook een gebrek aan de juiste vaardigheden, 59 procent een gebrek aan vakkennis en 55 procent een gebrek aan werkervaring. Dat betekent dat een deel van het probleem niet kan worden opgelost door simpelweg meer mensen naar vacatures te sturen.

Iemand kan bijvoorbeeld beschikbaar zijn voor werk, maar niet beschikken over het diploma of de technische kennis die voor een functie nodig is. Andersom kan een vacature openstaan terwijl er in dezelfde regio wel mensen zonder werk zijn, maar niet met de juiste vaardigheden of mogelijkheden.

Debat over uitkeringen niet overbodig

Daarmee is niet gezegd dat er geen mensen vanuit een uitkering naar werk kunnen. Integendeel. Het UWV noemt veel sectoren met goede kansen, waaronder techniek, bouw, transport en logistiek, zorg, horeca en delen van de publieke sector. Voor sommige functies zijn de opleidingseisen beperkt. Voor andere functies is scholing noodzakelijk.

Ook binnen de bijstand verlaten jaarlijks mensen de uitkering richting werk. In 2025 was werk goed voor ongeveer 34 procent van alle uitstroom uit de bijstand. Tegelijkertijd is de groep die langdurig in de bijstand zit relatief groot. In 2024 zat ongeveer 60 procent van de bijstandsgerechtigden langer dan drie jaar in de regeling.

Daarmee ligt er wel degelijk een vraagstuk voor gemeenten, UWV en politiek: hoe kunnen mensen die nog wél mogelijkheden hebben beter worden geholpen richting werk? Maar dat is iets anders dan stellen dat de ‘1,5 miljoen mensen’ met WW, bijstand of een arbeidsongeschiktheidsuitkering gezamenlijk een beschikbare arbeidsreserve vormen.

De rekensom van Brekelmans houdt geen stand

De 1,5 miljoen is geen telling van mensen die allemaal beschikbaar zijn voor werk. Het is bovendien geen telling van 1,5 miljoen unieke personen, maar een optelling van verschillende uitkeringscategorieën. Daar zitten mensen tussen die werken naast hun uitkering, mensen die tijdelijk niet kunnen werken, mensen met gezondheidsproblemen, mensen die specifieke ondersteuning nodig hebben en mensen die een opleiding of traject volgen.

Vooral het meenemen van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen laat zien waarom de term ‘aan de kant’ misleidend is. Een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geen synoniem voor niet werken.

Laat Brekelmans eerst maar eens uitzoeken hoeveel mensen daadwerkelijk beschikbaar zijn, welk werk zij kunnen doen, welke ondersteuning of scholing daarvoor nodig is en of dat werk ook op de juiste plek beschikbaar is. Daarover valt een serieus gesprek te voeren. Maar daarvoor is een betere rekensom nodig dan 1,5 miljoen tegenover 400.000.

Lees hier onze andere artikelen over de Nederlandse politiek.

Vergelijkbare berichten